zondag 8 mei 2016

Mijn Moederke

Dag Moeke. Het is Moederkesdag vandaag, dus ge gaat mij weer niet zien. Ge weet, ik ben er niet zot van om met heel uw nageslacht van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen samen te komen. Pas op, ik zie ze allemaal graag. En als ze in de put zitten wil ik de eerste zijn om te helpen. Maar ik heb u liever ne keer apart, binnen een paar dagen gaan we ne keer samen gaan eten. In d’ Oude Leie in Bachte, waar ge zo preus op zijt en aan alleman fier verkondigt: “Dat is van mijnen oudsten, Geert. “
Moeke, ik ken u maar in twee hoedanigheden: bezorgdheid en fierheid.

Bezorgdheid. Ik speelde buiten in Deurle maar ik mocht den hof niet verlaten. Misschien passeerde daar toen maar één auto per dag, in de Klapstraat. Maar zie dat ik overreden werd… Anderzijds mocht ik mij ook niet “vuil” maken. Zwarte knieën, oela, onze pa moest die afschrobben in dat kuipke voor de kachel.

Om van onze reizen maar te zwijgen met die verdomde tent en die verwenselijke caravan. In Zwitserland bijvoorbeeld: “NEEN niet te dicht tegen die ballustrade, ge gaat vallen !”
En die bezorgdheid voor mijn schoolresultaten, onderwijzeres zijnde. Het was thuis komen, huiswerk maken en dan boterhammen met “Pilchards”. Ik was wreed slim in het lager onderwijs, met minder dan “den eersten” was je niet content.
In het middelbaar, steeds meer bergaf, ik werd een rebel, heb je nooit begrepen, plichtsgetrouw als je bent.

Ge zult ook nooit weten, Moeke, welke stoten ik toen uitgestoken heb. Maar we mochten allemaal blijven studeren, wat we ook wilden. Bezorgdheid, slapeloze nachten had je verre van voor mij alleen.

Nu heb je nog veel meer bezorgheid. Over je kinderen misschien wat minder (alhoewel), je kleinkinderen en achterkleinkinderen. Hoe je dat doet, ik weet het niet, maar je weet er werkelijk alles over.   En zo komen we bij…

Fierheid. Je bent zo trots op je kinderen enzovoort… Alleman mag en zal het horen. Het is jouw lang leven. Ze zullen het geweten hebben in de Mayflower waar je nu woont. Amper 2 km van het Pleintje van Sint-Denijs-Westrem, waar je geboren bent. En uw kommeermaatjes bij uwe lieve gay-coiffeur op de Markt in Deinze (want je blijft Deinze trouw), of den Ideal die nog altijd veel geld aan u verdient.

Liefste Moeke, ik weet dat ge mij doodgraag ziet. Ik vertelde ooit in een preek in Deinze-Kerk: “De laatste plaats en enige waar we altijd welkom zijn is bij jullie thuis”

Ge zijt wat krommer geworden, Moeke, en o zo breekbaar in mijn ogen. Maar weet ge wat ik zo geestig vind? Ik kan je nog altijd geweldig aan het lachen brengen want op een rare manier deel je mijn humor.

Ik peins dat ik je graag zie..

zondag 27 maart 2016

Wat moet ik met die moslims ?

Ik moet zeggen, tegenwoordig weet ik niet meer goed welke opinie ik moet ventileren. Wat is dat toch met die moslims.

Enerzijds is er het verhaal van de Joden, gedemoniseerd sinds eeuwen. Ook nu schuift men Israël deels de Zwarte Piet (oei, racistisch?) toe voor een deel van de uitwassen en radicalisering. En mijn gezond verstand zegt, qua radicaliseren moet je Israël geen lessen leren. En toch begrijp ik hun historische mis-situatie met dank aan het Westen. Wat hebben de Joden destijds misdaan aan het toekomstige Nazi-imperium ?

Stilaan bekruipt mij ongewenst de populistische afkeer van de islam. Waregem is vergeven van “towelheads” madammen die tijdens de werk- en schooluren rondschommelen, ja mét schoolplichtige kinderen tijdens de schooluren. De ervaringsdeskundige in mij weet dat die gasten de school verzuimen als het hen leuk lijkt, mét instemming van de ouders. Ze wonen in sociale wijken en gebouwen. Ze komen in mijne gazettewinkel doktersbriefjes faxen voor henzelf en familieleden, en staan intussen met de nieuwste I-Phone auto’s te verkopen van Allah-weet-welke-herkomst. Ze praten geen Nederlands, vormen een eigen gesloten community.

Koren op de molen aan de toog. Koren op de molen van haatdragers. Haatdragers zijn ook de terroristen die zichzelf doden en onze en ja ook hun eigen mensen doden. Hebben moslims schade toegebracht aan de wereld en onze beschaving? Nog niet zo’n klein beetje. Méér dan de Joden? Ik dacht het wel. Hitler zou in zijn kleine pollekes wrijven.

Maar die moslims, dat zijn er van soorten, zegt mijn gelukkiglijk nog gezond verstand. Ze zijn wonderbaarlijke voetballers, bijvoorbeeld. Ze zijn Abdullah van de Pita-bar (zou Hans Van Cauwenberghe zingen), ze zijn Ahmed die iedere week onze vuilniszak ophaalt. Of ze zijn Shakir die ons met een kamerbrede smile bedient in een toprestaurant. Ze zijn een deel van onze leefwereld.

Ik denk dat net zoals ik vele moslims verscheurd zijn in hun gedachten. Zij: “Moet ik nu supporteren voor mijn soort? Past dat in het mij ingebrachte geloof? En wat met Vlaanderen?” Ikzelf: “Die vuile moslim-gasten: tegen de muur” denk ik op een onvertogen moment. Soms ben ik ook in mijn gedachten een café-toog mens. Wat ik niet leuk vind.


Ik ben er totaal zeker van dat er voornamelijk wreed veel liefdevolle moslim-papa’s en mama’s zijn. Die hier gewoon erg gelukkig willen zijn op hun eigen manier.
Maar mijn verscheurde hart vraagt: “OK, ik wil jullie leren kennen en waarderen. Maar wààr for Allah’s sake?”

Ik wacht dus niet op vrijblijvend gezwijmel van onze politiekers, noch op zware explicaties van mijn intellectuele vrienden. Een simpel menselijk antwoord op die vraag: “Wat moet ik met die moslims?”

donderdag 18 februari 2016

"Le sel de l'été" van Derek. Of is het "poivre"?

Aah, Parijs. Telkens weer denk ik er aan terug als ik de nieuwe CD van Derek voor de zoveelste keer beluister. “Le sel de l'été”, toen ik de titel zag dacht ik eerst aan het zilte zand dat opdroogt op je huid na een verfrissende zeeduik. Maar neen, voor mij blijft het Parijs…

Ooit, toen we 17 of zo waren, trokken mijn toenmalige boezemvriend en ik met fiets en tentje naar Frankrijk, zogezegd op kampeertocht. Trouwens, nadat alle loodzware voederblikken die mijn moeder liefdevol in mijn fietszakken had gepropt na zowat 2 km al in een plattelandsgracht belandden hebben we wel degelijk gekampeerd. Zomaar, in een Franse weide, waar een prachtig paard des ochtends nieuwsgierig stond te snuiven aan de ingang van ons tentje.

Maar we hadden snode plannen! Omdat dit dreigt een te lang verhaal te worden: het tentje werd geparkeerd bij nonkel René in Roye en we vertrokken al “autostoppend” naar … Parijs, toen ontoelaatbaar voor mijn ouders wegens de zondigheid. Ze weten het trouwens nog niet en ze hebben geen internet.

Maar Parijs, dat was onze ultieme droomstad. De schilders, poëten en muzikanten, de existentialisten, Saint-Germain-des-Prés, we wilden het meemaken. Zelfs al sliepen we op een matras in een krot-hotel en leefden we op een dieet van “Frans brood”, chocolade en limonade. Om maar te zwijgen van de Pernod Pur die we steeds weer nuttigden bij onze schaakspelletjes, dit tot verbijstering van de autochtonen.

Welnu, deze nieuwe CD van Derek flitst mij vaak terug naar Parijs. De pracht en de weemoed, de leute en de droefenis, toekomst en vergane glorie, en l’amour natuurlijk. Toujours l’amour avec Derek…

Hier en daar voel ik Gainsbourg opduiken, zoals in het wondermooie “Toi”, vraag mij niet waarom. En in “Trou plein de vide”, is dat Hans Van Oost die daar een straffe Django Reinhardt doet? Zodat ik me zie zitten in een besmuikte berookte Parijse jazzkelder met een fles “château migraine”? Met die bas van Mario Vermandel die zo vanzelfsprekend doorheen de songs wandelt?

Zoals gewoonlijk is Derek omringd door bijzondere muzikanten die al veel oorlogskes gestreden hebben. Zo zijn de blazers en in het bijzonder Marie-Anne Standaert een geweldige meerwaarde. En wat te zeggen van de accordeon van Rony Verbiest die ons plots naar een French Quarter in the Deep South sleurt? Om maar te zwijgen van de onmiskenbare toets van Yves “Vis” Meersschaert.
Voor de rest gaat Derek met zijn bende natuurlijk te keer met rock, reggae… alles in die prachtige langue de Molière.
De passie spat er af !

Blijkbaar heeft hij ook een sokkenfetish, daar wil ik wel eens meer over weten…

“Le sel de l’été”, weer peper voor het liefdesleven…


donderdag 4 februari 2016

Efkes naar Lille (Fr.)

Ondanks mijn sympathie voor Lillenaar Wout Van Aert besloten we toch maar naar Lille in Frankrijk te rijden. En daar hadden we alle redenen toe. Dank zij een geste van Marc Coucke naar de sponsors toe, in ons geval Dutry Power, hadden we via Tom R. vrijkaarten voor een voetbalwedstrijd aldaar. LOSC Lille vs Caen.

Iets later dan het geplande uur, nl. door perikelen wegens iemands uitgebreid douchen en overvloedig besprenkelen met reukwater, wendden we de steven richting Nord Pas de Calais. Reeds in Zwevegem werd ons bericht over file in Rekkem. Géén terrorist komt nog binnen bij ons of in Frankrijk wegens de genadeloze grenscontroles. Goed hé?

We reden dus via Ronq. By the way, voortaan rijd ik langs daar naar Auchan. Anyway, van grenscontrole geen sprake aldaar. Nu, we weten allemaal dat die terroristen dommekloten zijn die allen de E17 volgen. Ja, waterdicht, die controles…

Bij het naderen van het stadion bleek al de perfecte organisatie aldaar. Je moet natuurlijk weten welke parking je wil bereiken. Er zijn er 4 megagrote. We werden binnengeloodst door iemand met een flikkerende wortel, in zijn hand weliswaar, oei dubbelzinnig, enfin zo’n wapperstick in het oranje. “Ticket monsieur”. Oeps, gene ticket om te parkeren. Ge moest dat blijkbaar via het Web reserveren. Maar dat was de eerste van de talloze vriendelijke mensen die we tegenkwamen. Die haalde daar ergens een gratis ticket uit en zei met een grote smile: “Allez-y. Bon match!”
En we stonden daar toch wel vlak bij het stadion zeker! Zalig voor iemand die met twee krukken zijn weg moest banen.

Dat stadion!!! Imposant, prachtig, weeral supervriendelijke mensen alom. Aldus strompelde ik krukkengewijs 4 lange trappen omhoog naar ring 2. En kijk, er stond daar een vriendelijk negerke aan onze ingang. En die zei verbijsterd: “Mais monsieur, vous avez pris les escaliers??? Il y a un ascenseur là-bas!” Even foeteren was mijn deel.

Als rechtgeaarde Vlamingen werd er natuurlijk eerst een pint aangeschaft. 7 euro per stuk. Què??? Bleek dus dat het halve liters waren, en dat je 2 euro terug kreeg als je de (mooie) beker weer inleverde. Ge werd er niet zat van, maar de urinoirs floreerden. Maar nu weet ik dat onze twijfels terecht waren. Alcohol minder dan 1%.  Heineken is nog straffer. Hoe dan ook, kattenpis van Kronenbourg Malt. Enige minpunt.

Na een wedstrijd waar niets over te vertellen valt, de Belgische competitie is andere koek hoor, gebruikten we den ascenseur. En zie, mijn maten Marc, Malik en Tom, hadden chance. Er stond daar een streng kijkend madammeke. Alleen krukken en rolstoelen mochten mee. En mijn drie begeleiders.


Het was een wreed leuke avond. Thuis uitgesteld trouwens nog een wreed spannende match gezien…

donderdag 28 januari 2016

Mijn blijde tranen voor Martin

Had ik tegen Martin gezegd, toen we zowat 14 jaar waren, “Gij gaat nog Stadsdichter van Deinze worden”, ik kreeg wat aardekluiten naar mijne kop.

Hoewel we al een tijd samen in de klas zaten leerde ik pas laat via Martin de Izegemstraat in de wereldstad Zeveren ontdekken. Tot dusver dacht ik dat naast de Grote Baan er maar één straat was aldaar: de Leeuwstraat. Daar woonde namelijk Mr Van Steenkiste, collega van mijne Pa, waar wij van kindsbeen af gingen spelen. Ik voornamelijk met Katlijn, maar dat is niks geworden. Ze trouwde later met een schooldirecteur, ver boven mijn liga.

Maar de Izegemstraat dus. In ons derde middelbaar moesten wij voor Valère Van Der Cruyssen voor biologie een herbarium aanleggen. Het lot verenigde Martin en mij. Dus ik naar Zeveren, want in Deinze, in onze tuin, waar nu Mario De Jans woont, waren weinig speciale planten te bespeuren. De Izegemstraat, dat waren toen hier en daar en paar rijhuisjes. Maar! Daarachter vond je vanalles met rare wortels, bloei… Kortom, perfect voor dat herbarium. Alleen die verdomde letters met die Chinese inkt die je er moest boven schrijven, plekken alom, drama voor mij, plekken met scheermesje verwijderen.

Anyway, de Izegemstraat was voor mij een openbaring. Na daar wat in mijn ogen onkruid uit de grond getrokken te hebben, wat achterna bleek speciaal te zijn, was er verpozing op de straat zelf. Op de straat zelf, dus! Daar passeerde amper een boerenkar, laat staan auto’s. Er werd daar op straat gevoetbald, dames en heren. Die Carretten, straffe voetballers, daar kwam almeteens ne hele nest naar buiten. Die Gernaeys ook, eeuwige "vijand". Die woonden dus bijna ernaast. Martin en ik beperkten ons tot vrij statisch onze positie handhaven.

Tijdens ons middelbaar was Martin mijn voorbeeld, dat ik desalniettemin nooit navolgde. Maar blokken dat diene jongen kon zeg. En zo braaf in de klas. En ik, ik veegde overal mijn sloef aan, punten navenant. En Martin zei: Geert, ik ben jaloers op jou. Gij veegt overal uwe sloef aan, ge hebt herexamens en al, maar ik zou jou willen zijn.

En toen den unief. En de mama overleed. En Martin hulde zich nog meer in verhulde somberheid, de mens die maar fragmentjes van zichzelf prijsgaf in zijn gedichten.

En ziehier dus Martin. Zo onzeker over zichzelf, telkens weer.
Die monkelende speciale humor, zonder iets van zichzelf prijs te geven.
Deze zo ontzettend lieve mens die ik nooit op een negatieve opmerking kon betrappen.

Mogen er toch even tranen zijn nu ?

donderdag 3 december 2015

Weg met dat buiten spelen !

Eindelijk is er een school die zo moedig is om het “buiten spelen” tijdens de recreatie af te schaffen. Moge dit stof tot nadenken zijn voor die onverantwoordelijke ouders die hun kroost steevast het huis uit jagen. Fijn stof alom, pedofielen achter iedere struik, overlast voor buren die goedgemutst van hun onderling ijzig stilzwijgen willen genieten…

Toen ik klein was speelde ik altijd buiten. Ik moest wel. Geen Ketnet of KZoom, geen tablet om te swipen.

Neen, met mijn fietske won ik op mijn eentje dagelijks de Ronde van Frankrijk in onzen hof. Gedopeerd met zelfgekweekte “stekelbezen”, toen al gesjoemel. Of ik timmerde een geweer in elkaar met een stuk pannelat en een stukje balk, overschot van ons nieuw dak. En indianen dat ik doodgeschoten heb! Of cowboys, als het bandieten waren. Of ik maakte een katapult, een “rekkersbogen”, met een stuk tak en een rubberring van een steriliseerbokaal. Om met kiezels spreeuwen uit onze kersenboom te schieten, sorry Gaia. Pure agressie, ja.

Op school: voetballen met zo’n klein rood rubberen balleke of kaatsen tegen de muur. Tss tss, om de haverklap moesten die schoenen “verhalvezoold” worden. Of knikkeren en bikkelen: zwarte knieën, hallo!

En bij de KSA was het wéér van dattum! Vechtspelen (dassenroof!), moreel onverantwoord, bevatten het embryo van criminaliteit. Aan touwen hangen tussen de bomen en van alles pionieren met boomstammekes, save the trees zeg! Met gesprokkeld hout kampvuren maken, CO2 uitstoot toch?
En altijd die geschaafde knieën en blauwe schenen, want we droegen toen nog korte broeken.

Neen, dat buiten spelen: weg ermee! Aah, had ik toen maar mogen swipen, spellekes doen op mijn tablette, naar Youtube-filmpjes kijken, gehypnotiseerd van ’s morgens om 6 uur op TV Studio 100 beleven, ik zou nu een andere mens zijn.


De vraag is natuurlijk: wil ik een andere mens zijn?

donderdag 19 november 2015

Bevergem en ik

Feitelijk ga ik niet graag naar toneel kijken, hoewel ik er altijd met hart en ziel meegespeeld heb. Altijd zo’n beetje “gemaakt”, vind ik.

Feitelijk kijk ik nooit naar Vlaamstalige series en films, hoewel ik er doodgraag zou in meegespeeld hebben. Altijd zo’n beetje “gemaakt” vind ik.

Welnu, “Bevergem”, dat is een andere historie.

Uit nieuwsgierigheid keek ik zoals velen naar de eerste aflevering. Wij wonen amper 10 km van Zwevegem, de West-Vlamingen hebben ons hart veroverd. Zou “Bevergem” dat kelderen?

“Bevergem” is uniek. Met een scalpel wordt het dorpse (wijk ?) leven blootgelegd. Ongenadig horen en zien we steeds weer personages en mensen die we kennen en…  onszelf. De kleine rivaliteiten. De jaloersheid op andermans geld. De streverigheid van plaatselijke politiekers. Het moeten afstaan van een klein machtspositietje. Of niet. De spanningen tussen koppels die in feite over onnozelheden gaan. De stille wanhoop van mensen die hoe dan ook eenzaam zijn. En die ene, de plaatselijke Freddy, waar je geen hoogte van krijgt, die aldus fascinerend is en middelpunt.

Klinkt wat deprimerend, nietwaar? En toch was “Bevergem” ook bijzonder geestig, voor wie het Vlaamse surrealisme kan inschatten. Kurt in zijn winkel, zijn verliefdheid op een lesbiske, zijn teloorgang in zijn harnas… De hatelijke edoch hilarische Claude, wie kent er niet zo iemand? En Danny, den Beir. DJ, voor mij de geweldigste van allen. Hoewel Wantje, de tedere flik… Feitelijk teveel om op te noemen.

Steeds weer voelde ik: moet ik nu lachen of wat? Was het humor? Is dat humor, dat er schrapingen gebeuren op je ziel? Jazeker, da’s échte humor. “Humor ist wenn man trotzdem lacht”

Voor mij mag er nooit meer een nieuwe Bevergem komen. Schaamhaar wel. Om het met Maaike Cafmeyer te zeggen:
“Soms mag et wel e ké stekken é” een ongeschoren zin, die alles zegt.